Hier Hadthum
De 18e eeuwse legende van de duif, waarin wordt uitgelegd hoe Hattem aan haar naam zou zijn gekomen:
‘Een burgemeester had een slag met mooie duiven, waarvan hem er eentje wegvloog. Door deze wegvlieger was de gansche stad in konsternatie. De Heeren geboden de stadspoorten dicht te doen, opdat de duif er niet kon uitvliegen. Maar og, de duif vloog er over heen!
Wat wil het geval, een geluk bij een ongeluk: een oude vrouw stond voor de poort en vong deze duif en riep met luyde stemme: Hier Hadthum, en van dit geval is de stad zo geheten en naderhand door verbastering Hattem genoemd.’
In het Bakkerijmuseum worden Hattemer Duifjes verkocht, een specialiteit gemaakt van bloem, honing, suiker en verfijnde specerijen . Het garnituur bestaat uit noten en zuidvruchten.
Kladdegat
Het stadsspook van Hattem heet Kladdegat. Het hondachtige wezen huisde in de donkere tunnels onder de stadsmuren aan de Adelaarshoek, inderdaad, in het Spookhuys. De Hattemers rilden als ze ’s nachts het naargeestig gehuil en het gerammel van kettingen meenden te horen.
De spookhond was zo levensecht dat ze het ’s avonds laat niet waagden om zich in donkere hoekjes rondom de stadsmuur te begeven. Tot in de 20ste eeuw bestond er nog een heilig ontzag voor Kladdegat, waarvan opvoeders dankbaar gebruik van maakten: ‘Pas maar op, anders komt Kladdegat je halen.’
Angst. Aan de ketting, de ogen vol vuur.
Vastgeketend aan Hattems muur
Met een boog er omheen, anders doet hij u wat!
Waakt u voor spookhond 'Kladdegat'.
In 1993 heeft Jan-Erik Barendsen een beeld van Kladdegat gemaakt (zie foto). Het beeld staat aan de Dorpsweg ter hoogte van de stadsgracht.
't Spookhuys
Verre voorvaderen vertelden uit eigen ervaringen dat de verhalen over spoken in 't Spookhuys geen sprookjes waren. Spoken die in de nachtelijke uren rond dwaalden en heimelijk, in de ondergrondse gangen, spookhond ´Kladdegat´ontmoetten.
“De zoon des huizes weet het zeker: Spoken bestaan. Verhalen die de ronde deden, berusten op de waarheid.
De kerkklok slaat, Arend-Janszoon, de bewoner van ´t Spookhuys, zit rechtop in zijn bed. Een voor een telt hij de slagen. Klokslag twaalf uur waart het spook. Arend-Janszoon weet het als geen ander. De koeien houden op met eten en staren verstijfd naar de trap. Ze zien hoe het spook de trap af dwaalt, over de deel zweeft en verdwijnt in de gangen onder ´t Spookhuys. Na enkele minuten is het weer rustig, helemaal stil, alsof er niets gebeurd is.
In de tuin van het huys staat een geraamte met een sabel. Het ontzielde lichaam van een kozak; een verdwaalde Rus. In de nacht was deze overvallen door een generaal, Souman was zijn naam. De dappere generaal die de kozakken keerde. Nazaten wonen nog in de stad.
Broer Albert neemt op een nacht de sabel mee in de hoop het spook te kunnen imponeren. Om twaalf uur 's nachts staat hij onder aan de trap, zwaaiend met zijn zwaard. Al zwaaiend zakt hij plotseling ineen als een pudding.
Als Albert bijkomt vertelt hij dat hij een vreemde man onder aan de trap heeft gezien. "Daarboven aan de trap," zegt hij "en hij heeft mij met vuurspuwende ogen aangekeken!"
H
et spook in ´t Spookhuys deinsde nergens voor terug. In de onderaardse kerkers dwaalde hij rond. De kreten van zijn slachtoffers, aan ketenen gebonden, waren in de wijde omtrek nog te horen!
Het was Jan Visscher, een stoere bewoner van Hattem, die begin 1800 de spookhond te lijf ging. Het hondegat, waar de spookhond woonde, werd door Jan eigenhandig dichtgemaakt. Een stenen muur van behoorlijk kalk en steen maakte dat het spook 'Kladdegat' voorgoed verdween...
Hoe de Verkentoren in Hattem aan haar naam kwam
Doelwit van belegeringen
Als klein maar strategisch gelegen vestingstadje was Hattem in vroeger eeuwen menigmaal het doelwit van belegeringen. Omvangrijke legertroepen vlijden zich dan neer in het veld, betrokken hun stellingen en sloten de aan- en afvoerwegen afKaartspelen en dobbelstenen werden tevoorschijn gehaald om de lange uren te vullen en de verveling te verdrijven die gepaard ging met het langzaam uithongeren van de Hattemers binnen de muren.
Maanden en maanden kon dat ‘spel’ zo doorgaan in een ultieme strijd om de sterkste zenuwen.
Dat het met de moraal van de Hattemers wel goed zat blijkt uit de legende die de ronde doet over de naamgeving van de Verkentoren die een prachtig uitzicht gaf (en geeft) over de uiterwaarden en de weg richting Heerde.
Knorrend beest
Het ligt ‘em al in de klemtoon van het woord ’verken’. Het is niet ‘verkèn’, afkomstig van het woord ‘verkennen’. Nee, het komt van het woord ‘varken’ , het knorrende beest dat in de middeleeuwen vrij z’n kostje bij elkaar kon scharrelen in de binnenstad.
Het was weer eens raak. Al maanden lag de vijand voor de poorten van de stad om de Hattemers te dwingen een toontje lager te zingen. Er zat niet veel schot in de zaak. Aanvallen op de stevige stadsmuren en dito poorten hadden weinig effect en werden zonder al te veel moeite door de Hattemers afgeslagen dankzij de ketels kokende pek en olie die klaar stonden en de ervaren kruisboogschutters op de muren. Keer op keer toog de vijand onverrichterzake terug het veld in waar het lange wachten weer begon.
Voedsel genoeg
Binnen de muren had men nog steeds voldoende voedsel. In de stallen van de vele stadsboerderijen liep tenslotte genoeg eetbaars rond en ook de molenaar op de stadswal had nog een aardige voorraad graan liggen voor het malen van meel en het bakken van verse broden. Desalniettemin werd men het wel zat om niet het vrije veld in te kunnen.
Ze werden het zat
Jan de Slager werd het na geruime tijd eveneens zat en ging tot actie over. Hij was niet groot, eerder klein, maar met spieren als kabeltouwen. Hij dook de stal in, greep één van zijn varkens en toog ermee naar wat wij nu kennen als de Verkentoren
Men droop af
Met enige moeite klom hij de trap op. Eenmaal boven gekomen tilde hij het varken boven zijn hoofd en schreeuwde de vijand met bravoure toe: “Hé jongens, hebben jullie honger? Kom dan maar een stukje halen als je durft!”
De vijand raakte volledig lamgeslagen door zoveel overmoed: hier was geen eer meer te behalen. Met de staart tussen de benen droop men af. Sindsdien staat de toren richting Hoenwaard bekend als de Verkentoren.
Bronnen: www.mijngelderland.nl; Artikel Antje Scheper.


.png)

